Van de tak op de tak

10.07.2015
|
0 Comments
|

Zoveel beelden uit de verrekijker staan nog op mijn netvlies te wachten op omlijsting met woorden. Deze zomermaanden krijgen ze die. Hier, in dit blog “Van de tak op de tak”. Misschien lukt ’t wel een paar beelden op één dag te vangen. Misschien iedere dag één, misschien is het maar eens in de week raak. ’t Is tenslotte voor ons allemaal wél zomer!

7.
De striemende regen en wind niet meegerekend is mijn enige gezelschap een drieteenstrandlopertje. En dit noemen we dan zómer? Die woeste branding, dat drijfnatte zand, in augustus? Het is dat mijn metgezel zijn zomerpakje draagt. En dat hij zich niets aantrekt van de kilte, het natte en lawaaiige. In zijn gewone noodgang dribbelt hij links en rechts pikkend langs de rand van schuim en belletjes. Dan, hup, in een drafje weg van een briesende golf water. Ik probeer ook zo’n dribbel en hupje, en schiet in de lach als ik kijk of echt niemand het gezien heeft.

6.
Er is niets te zien en weinig anders te horen dan de wind door het riet en een verre auto. De lage avondzon verblindt trouwens. Kunnen gesloten ogen stiekempjes net zoveel waarnemen als ooghoeken, vraag ik me af. Ik neem de proef op de som. In de tijd van twintig ademhalingen gebeurt er niets. Mijn gevoel krijgt tenminste geen speciaal signaal. Mijn ogen schieten niet zomaar ineens open. Is er dus niets te zien geweest? Wat een vraag! En wát nou proef op de som!

5.
Dat wuiven en wuiven van riet in de westenwind. Wat dat in je hoofd openbaart, zeg. Dat je vandaag geen haast hoeft te hebben. Dat die kievit daar ook op z’n zijn vrije tijds wiekt. En dat de visdiefjes boven de sloot voor de gein zwenk-en-duikspelletje spelen. Dat je niet hóéft te denken, maar dat het wel mág. Om maar iets te noemen.

4.
Het is niet te geloven Die roerdomp van me sloop nota bene ook nog door ratelaar en rietorchis. Zo’n beeld laat je niet los, hè. Dat jonge groen, dat citroengeel en dat purperpaars. En in je hoofd blijft het steeds weer herhalen: Roerdomp?! Rietorchis?! Met zowel een vraagteken als een uitroepteken. Terwijl je met je eigen ogen ziet dat het waar is.

3.
Tegen achten ‘s avonds is het droog. Een verademing om na een dag binnen zitten aan de Korte Nauw te zijn. Ook het riet recht zich. De zwaluwen vliegen weer. Tegelijk met mijn ruime ademteug rijst een silhouet op uit het groen. Het is compact. Aalscholvergroot. Het trekt de kop tussen de schouders. Wendt, kleurt bruin en wiekt westwaarts. Breedgeschouderd, doend alsof hij niet te zien is. Ik speel het spelletje mee en denk alleen: Ha! Mijn roerdomp!

2.
Zomers trekt de natuur zich in zichzelf terug. Het gebladerte en manshoge riet verhullen wat zich erin afspeelt. Er woedt daarbinnen een wereld buiten ons om. Gluren doe je maar in het kale voorjaar, zegt die. Nu is het genoeg geweest. Stel je maar tevreden met het lied van de kleine karekiet die je toen bespiedde en nu mag horen. Karre karre karre kiet kiet kiet, je hoort me wel maar je ziet me niet.
Ha, ha! Vertel mij wat!

1.
In de vroege ochtendzon siert het silhouet van een kraai een dode tak in de kastanjeboom. Doodstil zit hij slank, strak en jong te zijn. Elegant draait en heft hij zijn kop. De zon veegt goud over zijn snavel, goud dat telkens weer aan en uit gaat bij elke draaiing door zijn spiedende blik. Jong en nu al majesteit.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *