Raadsels

13.10.2016
|
4 Comments
|

1.
Al dagenlang hoor je hier overal om je heen dag en nacht grauwe ganzen babbelen. Is het niet ergens in de verte dan is er wel een overvliegende groep. Een slordig zwervende. Ineens. Vanuit het niets. Of een doelgerichte gedisciplineerde. In een V. Komen ze uit het hoge noorden en overleggen ze hier de winter door te brengen? Of ze dat dan hier nabij de grasdijk zullen doen? Of verderop in het malse groene weiland vlak bij de Waddenzee?
2.
Kom op, wanneer scheerden hier nu voor het laatst boerenzwaluwen over het riet? Wanneer zag ik nou toch voor het laatst huiszwaluwen bij huis? Vertrok de blauwborst uit de Korte Nauw nu vóór het zo gigantische begon te regenen? Of daarna? En die twee rietgorzen die hier een territorium leken te hebben, zijn ze nou wel of niet vertrokken naar aangenamer oorden?
3.
Wat zijn dat toch steeds voor plonsjes achter het riet? Ze lijken gelijk op te gaan met het piepen dat van futenjongen zou kunnen zijn. Hebben futen in oktober nog bedelende jongen? Weer zo’n plonsje! Het zal wel gewoon een foeragerende eend zijn. Maar toch. En was die blauwe schicht een ijsvogeltje? Of is de wens weer eens de vader van de gedachte en is het de pimpelmees uit de wilg verderop?
4.
En wel hoor, twee spierwitte grote, rechtopstaande vogels aan de slootkant. Heel ver weg. En geen  verrekijker bij me: er zou toch wel niks te zien zijn op deze route door de grasproductieweilanden. Zijn het grote zilverreigers? Of de laatste lepelaars? Dat kán echt. Drie jaar geleden. 7 oktober. Ik stond op de dijk langs de Waddenzee en zag heen-en-weer- vlieg-op-daal-neer-gedoe van negen lepelaars. Ineens wisten ze het zeker. Ze stegen op en vlogen een rondje. Acht formeerden zich tot een smalle V. Nummer 9 ging aan kop, stak de snavel naar het zuiden en een paar tellen later losten hun stippen op in het grijsblauw van oktober.
5.
Welke kleine steltloper haalt het nu in z’n kop om zich bovenop een hekpaal middenin in het water te gaan poetsen? Oké, daar gaan we weer. Grootte van een spreeuw. Spierwitte onderkant. Donkergrijze mantel. Draai je eens om, knul. Hij doet het ook nog! Aha, een lichtgrijze stola. Lichte wenkbrauwstreep. Licht maskertje. Dank je wel, steltje, dat je ook gewillig je zijkant toont. Of ben je ijdel? Hoe dan ook, ik bof maar met je. Tikje mollig. Je wipt gedurig met je achterste. Maar wat is toch je naam….?
6.
Het klopt, er zijn nog futenjongen. Het is de pimpelmees uit de wilg; hij kwam ook vandaag een paar keer langs als een streepje blauw. Het waren grote zilverreigers. Ze stonden er gisteren weer. En het kan niet anders dan een witgatje zijn geweest. Nee, geen oeverlopertje, ook al wipt die ook met z’n achterste. Nee! Nee!

4 reacties op “Raadsels

  1. Bart Veenstra schreef:

    Weer een leuk verhaal! Wat het vogeltje betreft, kan het ook een drieteenstrandloper zijn geweest?

    • roosverlinden schreef:

      Het drieteenstrandlopertje is het enige lid van de familie Strandloper dat écht op het strand te vinden is. En deze schoonheid was ‘in de binnenlanden’ op een hekpaal in zoet slootwater.

  2. Affodil schreef:

    Dat voortdurende wippen deed mij onmiddellijk aan het witgatje denken. Het heeft even geduurd eer ik in mijn vroege vogeljaren doorhad, dat het geen “wipgatje” was …

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *